Wat vind ik nu van de Marum Zwembadmoordzaak in eerste aanleg en van de uitspraak in hoger beroep?
Als advocaat gaat mijn hart sneller kloppen van een zaak als deze. Op het eerste gezicht had het Openbaar Ministerie een “ronde” zaak. Een verklaring van een kroongetuige die precies verklaart waar het Openbaar Ministerie cliënte en haar broer al van verdacht in 2012, SMS-berichten op een presenteerblad, een verklaring van een medeverdachte totdat … Natanya Spijker de extracties ging opvragen van de SMS-berichten omdat het een onlogisch gesprek was en het toen direct duidelijk was dat er al conceptberichten klaarstonden, en dat de tijden niet klopten. Dan rijst ook de vraag waarom deze conceptberichten en de tijden niet zijn geverbaliseerd of waarom de extracties niet aan het dossier zijn toegevoegd. Is dit bewust of toevallig? In ieder geval rammelt de verklaring van de kroongetuige en worden er terecht vraagtekens gezet bij zijn betrouwbaarheid. Op verzoek van de verdediging wordt de
rechtspsycholoog de heer Van Koppen ingeschakeld, en op verzoek van hem worden alle audiofragmenten van de verhoren opgevraagd. Vervolgens blijkt dat één van de belangrijkste (kluis)verhoren van de kroongetuige is gewist, wegens “onverklaarbare redenen”. Op een later moment in de procedure wordt door één van de getuigen in hoger beroep aangegeven dat hier een besluit aan ten grondslag ligt maar wat dan die reden is wordt nooit duidelijk. Wederom, doemt zich hier de vraag op of dit toevallig is. Het blijkt namelijk dat in dit audioverhoor is gesproken over deze SMS berichten maar wat er dan is besproken wordt niet duidelijk want hier is niet over geverbaliseerd. De kroongetuige kon het zich niet niet meer goed herinneren, wat dus maakt dat het niet toetsbaar is. Feit is wel dat met gedegen onderzoek direct duidelijk werd dat deze SMS-berichten niet zuiver waren en in de weg stonden aan verder onderzoek. Het is al kwalijk dat het OM niet alleen heeft nagelaten onderzoek te verrichten om de authenticiteit van de berichten te kunnen verifiëren, maar dat deze twijfels niet zijn gedeeld met de rechter-commissaris, noch met de toetsingscommissie in het beginstadium van de totstandkoming van de kroongetuigedeal is uiterst dubieus.
In de pleitnota in hoger beroep heb ik opgemerkt dat in beginsel met deze omstandigheden alle ingrediënten aanwezig zijn voor het achterhouden van bewijs. Het zijn teveel toevalligheden terwijl de betrokken getuigen bij de deal, naar elkaar wijzen, of het zich niet herinneren. Moraal van het verhaal is dat niemand verantwoordelijkheid durft te nemen. De chefkok is spoorloos terwijl iemand een gerecht heeft gemaakt, om het maar in beeldspraak te zeggen.
In een zaak met preliminaire verweren, prejudiciële vragen, niet-ontvankelijkheidsverweren, bewijsuitsluiting wegens ernstige vormverzuimen (fruits of the poisonous tree), een onrechtmatige kroongetuigendeal, een betrouwbaarheidsverweer met uitsluiting (zowel bij één van de medeverdachten als de kroongetuige) en uiteraard een bewijsverweer, kwamen al de nodige juridische aspecten aan bod. Tel daar nog eens een absolute blunder van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden bij op door het arrest van één van de medeverdachten voortijdig te publiceren, met als slotakkoord een wraking tot gevolg. Hoewel de wrakingskamer de wraking ongegrond heeft verklaard vraag ik mij hardop af of zij dat met de kennis van nu ook hadden gedaan. Er heeft zich immers een ontlastende getuige gemeld (na het wrakingsverzoek maar voordat de zitting was gesloten). Door dit getuigenverzoek niet in behandeling te nemen is na de beslissing van de wrakingskamer precies datgene voorgevallen u waarvan de wrakingskamer aangaf dat dit niet in de lijn der verwachting lag. De Hoge Raad zal zich in ieder geval o.a. hierover moeten buigen. Bovendien ben ik benieuwd hoe de Hoge Raad tegen enkele formele verweren aankijkt. De tijd zal het leren.
Het staat in ieder geval vast dat het OM een bijzonder ferme tik over de vingers heeft gekregen, en het baart mij zorgen dat het OM op geen enkel moment enige zelfreflectie heeft getoond. Deze houding past bij de eerdere houding m.b.t. het schenden van het verschoningsrecht (n.a.v. de zaak Castor) en het benaderen van mr. Weski in het kader van de kroongetuigenregeling. Achteraf, pas als er een ferme tik wordt uitgedeeld, wordt er spijt betuigd en in het kader van deze zaak wordt er dan in opdracht van het College van procureurs-generaal een commissie met externe deskundigheid ingesteld naar de gang van zaken rondom de inzet van de kroongetuige in deze zaak. Deze instelling van het OM, te weten het doel heiligt alle middelen in de hoop ermee weg te komen is, een houding die wat mij betreft maar één sanctie verdient en dat is niet-ontvankelijkheid. In alle eerlijkheid vind ik het betreurenswaardig dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden dit formele verweer niet heeft gevolgd.
Op de vraag of ik ervan overtuigd ben dat cliënte onschuldig is, kan ik bevestigend antwoorden. Na bestudering van het arrest vind ik het fundament waarop de veroordeling rust bijzonder broos en dan lijkt het mij onverstandig om daar een huis op te bouwen maar goed, die verantwoordelijkheid rust niet op mijn schouders.





