Feitelijke aanranding is een strafbaar feit waarbij sprake is van een ongewenste, seksuele aanraking die inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van een ander. Het is een zedendelict dat strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht (Sr). Aanranding onderscheidt zich van verkrachting doordat bij aanranding geen sprake is van binnendringen van het lichaam. Per 1 juli 2024 is de zedenwetgeving ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 juli 2024 was feitelijke aanranding vastgelegd in artikel 246 en op en na 1 juli 2024 is feitelijke aanranding opgedeeld in verschillende artikelen: 240 (schuldaanranding), 241 (opzetaanranding), 245 (aanranding 16-18 jarigen), 247 aanranding 12-16 jarigen) en tot slot 249 (aanranding onder de leeftijd van 12 jaar). In dit artikel zullen we de feitelijke aanranding behandelen van vóór 1 juli 2024.
Wat valt onder feitelijke aanranding vóór 1 juli 2024?
Het plegen van ontuchtige handelingen dan wel aanranding is voor 1 juli 2024 strafbaar gesteld in het oude artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie”.
De vraag of een bepaalde handeling als ontuchtig moet worden aangemerkt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, en dient telkens in de context van de gedragingen te worden beantwoord. Getoetst wordt of de handelingen een seksuele strekking hebben gehad, en als dat zo is, of de handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Soms kunnen bepaalde handelingen wellicht als grensoverschrijdend worden aangemerkt, maar hoeven deze handelingen niet ontuchtig te zijn. Een tweede voorwaarde is of er sprake is van dwang (onvrijwilligheid). Het gaat hierbij om het moment van handelen en waarbij is vereist dat de onvrijwilligheid gericht was op de ontuchtige handelingen. M.a.w. het slachtoffer moet weet hebben gehad van de ontuchtige handelingen en deze handelingen niet hebben gewild. Ten derde speelt het criterium “de onvermijdelijkheid” een belangrijke rol, waarbij het slachtoffer (redelijkerwijs) niets anders kon doen dan de handelingen te dulden en zij zich niet of alleen heel moeilijk aan de situatie kon onttrekken en tot slot moet er opzet van zijn van de verdachte op de dwang. Van dwingen kan slechts sprake zijn als verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de ontuchtige handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan en dat geldt ook bij voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn/haar wil ondergaat, want dan is er in dat geval ook sprake van opzet op de dwang.
Artikel 246 Sr noemt als dwangmiddelen niet alleen geweld en bedreiging met geweld, maar ook (bedreiging met) “andere feitelijkheden”, bijvoorbeeld psychisch of fysiek overwicht. Op basis van de huidige jurisprudentie kan het bestaan van dwang niet enkel worden afgeleid uit het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie en daarmee verband houdend psychisch overwicht. Er zal op basis van indicatoren binnen die afhankelijkheidsrelatie moeten blijken dat er sprake is geweest van onvrijwilligheid binnen die relatie.
Wat is belangrijk in de bewijsvoering?
In zedenzaken waar het gaat om de verdenking van ontucht c.q. feitelijke aanranding, zal met name de beoordeling en waardering van het bewijs een belangrijke rol spelen in het strafproces. Er moet dan sprake zijn van wettig en overtuigend bewijs. In de regel komt het neer op de vraag of de verklaringen van de aangever/aangeefster geloofwaardig, consistent en betrouwbaar zijn. De verdediging zal controleren of er geen tegenstrijdigheden of onjuistheden in de afgelegde verklaringen zitten die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid.
Er is een belangrijk verschil met een verdenking van vóór 1 juli 2024 en een verdenking van na 1 juli 2024. Na 1 juli 2024 dient niet meer te hoeven bewezen dat er bewijs is van dwang. Er hoeft dus niet meer bewezen te worden dat een slachtoffer zich heeft verzet of zich niet kon onttrekken aan de seksuele handelingen. Evenmin hoeft te worden bewezen dat het opzet van de verdachte hierop gericht was.
Het gevolg is dat slachtoffers op of na 1 juli 2024 in meer gevallen aangifte kunnen doen van een strafbaar feit. De verlaging van de bewijsdrempel brengt ook mee dat politie en het Openbaar Ministerie ruimere mogelijkheden zullen hebben om zaken op te pakken. Het onderzoek zal zich richten op aanwijzingen voor feiten en omstandigheden die duiden op een ontbrekende wil, zoals duidelijk aanwezige contra-indicaties of evidente signalen die het slachtoffer heeft afgegeven en die de verdachte eventueel heeft genegeerd.
Zowel in zaken als voor 1 juli 2024 en in zaken die daarna volgen blijft steunbewijs noodzakelijk, zoals sporen op het lichaam, camerabeelden of WhatsApp-berichten. In ieder geval steunbewijs die de lezing van het slachtoffer kan ondersteunen en wat noodzakelijk zal zijn bij gebrek aan ander bewijs, bijvoorbeeld bij een ontkennende verdachte en ontbrekende getuigen. Eén enkele verklaring is immers niet voldoende om tot een vervolging over te gaan.
In aanrandingszaken is de bewijsvoering vaak complex omdat er zelden direct bewijs is. Een verdenking van feitelijke aanranding voor 1 juli 2024 is sowieso moeilijker te bewijzen omdat de bewijsdrempel hoger ligt dan een verdenking na 1 juli 2024.
Wat kan een advocaat betekenen?
Een advocaat speelt een cruciale rol, zowel voor verdachten als slachtoffers van aanranding:
- Voor verdachten:
Een verdenking van artikel 246 Sr kan enkel afgedaan worden door de verdachte te dagvaarden om bij de rechter te verschijnen. Een verdenking van aanranding op grond van het oude artikel 246 Sr is complex en steeds dient aan de hand van de omstandigheden van het geval worden bepaald of er sprake is van een terechte verdenking.
De straffen bij een veroordeling voor overtreding van artikel 246 Sr kunnen fors zijn. In ieder geval wordt – gelet op het taakstrafverbod – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste één dag opgelegd. Voor de toekomst, en met name met betrekking tot de aanvraag van een VOG, kunnen de gevolgen van een veroordeling voor artikel 246 Sr groot zijn. Gelet hierop, is het van groot belang dat u zich laat bijstaan door een gespecialiseerde strafrechtadvocaat. Zeker gelet op de belangen die op het spel staan is het verstandig dat u zich vooraf goed laat informeren. Het is van belang om vooraf te weten wat u kunt verwachten en welke verweren namens u gevoerd kunnen worden.
Onze advocaten zijn bereid om u ook pro deo bij te staan, mits u daarvoor in aanmerking komt gelet op de wettelijk vastgestelde inkomensgrenzen. U hoeft dan uitsluitend een kleine eigen bijdrage te betalen.
- Voor slachtoffers:
Rechtsbijstand aan slachtoffers van zedenzaken is van enorm belang, niet alleen voor de algehele ondersteuning van het slachtoffer, maar ook voor de begeleiding door het juridische traject, bijstand bij de aangifte, vertegenwoordiging tijdens getuigenverhoren , het uitoefenen van het spreekrecht, de zitting tot aan het vonnis in hoger beroep. Een gespecialiseerde slachtofferadvocaat zorgt ervoor dat uw belangen gedurende het hele strafproces worden behartigd.
Slachtoffers van zedenzaken krijgen kosteloos rechtsbijstand van een advocaat. Dit betekent dat de inkomenspositie van het slachtoffer dus geen rol speelt bij de toegang tot deze noodzakelijke juridische ondersteuning en de begeleiding van het indienen van een schadevergoeding.
Conclusie
Aanranding, zoals geregeld in artikel 246 Sr, is een ernstig zedendelict dat zware strafrechtelijke gevolgen kan hebben. Het onderscheidt zich van verkrachting doordat er geen sprake is van penetratie. Zowel verdachten als slachtoffers dienen professionele juridische bijstand te zoeken om hun rechten te beschermen. Een advocaat kan van onschatbare waarde zijn bij het bieden van de juiste verdediging of het verkrijgen van gerechtigheid.





