Veel stellen die op huwelijkse voorwaarden trouwen of zijn geregistreerd met partnerschapsvoorwaarden, kiezen voor een zogenaamd periodiek verrekenbeding. In theorie lijkt dat een duidelijke afspraak. Wat de partners overhouden van het inkomen na betaling van de gezamenlijke kosten, moet jaarlijks met elkaar gedeeld worden. In de praktijk blijkt het beding zelden écht te worden uitgevoerd. Dat kan bij een scheiding grote gevolgen hebben. In dit artikel leggen we uit wat het periodiek verrekenbeding inhoudt, waarom het vaak niet wordt nageleefd en wanneer juridische hulp verstandig is.
Wat is een periodiek verrekenbeding?
Een periodiek verrekenbeding is een afspraak in de huwelijkse voorwaarden waarbij echtgenoten jaarlijks de overgespaarde inkomsten met elkaar verrekenen. Het inkomen dat overblijft nadat de gebruikelijke kosten van de huishouding zijn betaald, wordt vervolgens tussen beide partners verdeeld alsof het gezamenlijk bezit was. De gedachte hierachter is dat beide partners profiteren van wat er van het inkomen overblijft, ongeacht wie het heeft verdiend. Op papier zorgt dat voor een eerlijke financiële verdeling. De verrekenbedingen zijn in de wet geregeld in de artikelen 1:132 t/m 143 BW. Deze bepalingen zijn van toepassing op zowel het periodiek als het finale verrekenbeding. Alleen artikel 1:141 BW is uitsluitend voor het periodiek verrekenbeding geschreven.
Als aan een periodiek verrekenbeding geen uitvoering wordt gegeven, blijft de verplichting tot verrekening over een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak in stand op grond van artikel 1:141 lid 1 BW. Het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit op grond van lid 3. Ex-partners kunnen elkaar verzoeken het te verrekenen vermogen te beschrijven op grond van artikel 1:141 lid 3 jo. artikel 1:143 BW.
Waarom wordt een periodiek verrekenbeding vaak niet uitgevoerd?
In de praktijk komt het regelmatig voor dat stellen hun periodiek verrekenbeding nooit of slechts één keer uitvoeren. Het niet uitvoeren van het beding kan echter bijzonder verstrekkende juridische gevolgen hebben. Het periodiek verrekenbeding houdt in dat de partners periodiek (jaarlijks) de overgespaarde inkomsten met elkaar zullen delen. Dat betekent simpel gezegd de inkomsten die de partners overhouden na voldoening van de kosten van de huishouding. De redenen dat partners het verrekenbeding niet (meer) uitvoeren is bijvoorbeeld omdat:
- Men is zich niet meer bewust van de afspraak in de huwelijkse voorwaarden;
- het wordt als administratief lastig of omslachtig ervaren;
- men vertrouwt erop dat er “bij een scheiding de afspraken worden nagekomen”.
Wanneer een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden wordt opgenomen, is het van belang om een goede administratie bij te houden en daadwerkelijk jaarlijks tot verrekening over te gaan. Wanneer de partners dit niet doen dan heeft het niet uitvoeren van een periodiek verrekenbeding dus tot gevolg dat partijen bij het eindigen van het huwelijk met elkaar dienen af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd.
Nu kan het niet uitvoeren van een periodiek verrekenbeding hersteld worden door alsnog over de voorgaande jaren te verrekenen door de niet verrekende inkomsten en de waardestijgingen van die niet verrekende inkomsten vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst maar dan bent u wel de medewerking benodigd van uw ex-partner. Het is daarbij wel van belang om te benoemen dat de notaris of advocaat bedacht zal moeten zijn op de ware aard van de overeenkomst, de mogelijkheid van vernietigbaarheid wegens een wilsgebrek en partijen risicobewust maken bij het sluiten van de overeenkomst.
Wat zijn de gevolgen van een periodiek verrekenbeding bij een onderneming?
Als het periodiek verrekenbeding tijdens het huwelijk nooit is uitgevoerd, gaat de wet ervan uit dat het overgespaarde inkomen alsnog moet worden verrekend. zowel bij echtscheiding als bij overlijden van een van de partners. In die gevallen wordt vermoed dat het volledige vermogen is opgebouwd uit gezamenlijke inkomsten, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Denk aan spaargeld, beleggingen, extra pensioenopbouw of winstreserves in een onderneming.
Er zijn twee mogelijkheden. Wanneer een periodieke verrekenplicht niet is nagekomen, wordt al het aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Er wordt dus verdeeld als ware partijen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In principe gaat dan bij een echtscheiding of een ontbinding van een geregistreerd partnerschap alles door de helft, tenzij de ondernemer kan aantonen dat zijn onderneming niet is opgebouwd uit te verrekenen vermogen. Dat is een lastige bewijsopdracht, maar niet onmogelijk. Het één en het ander zal in ieder geval goed gedocumenteerd en onderbouwd moeten worden.
Als de ondernemer wél kan aantonen dat er tijdens het huwelijk nooit overgespaard inkomen in de onderneming is geïnvesteerd, kan de ex-partner proberen om een verrekenvergoeding voor de onderneming te ontvangen. In artikel 1:141 lid 4 BW staat dat voor vennootschappen, wanneer de waarde van de vennootschap zelf buiten de verrekening blijft, er sprake kan zijn van opgepotte winsten in deze vennootschap. Als winsten vallen onder het inkomensbegrip uit de huwelijkse voorwaarden, kan de ex-partner van de ondernemer de stelling innemen dat er sprake is van overgespaard inkomen dat in de onderneming zit en dat de ex-partner daarvan de helft moet krijgen.
In beide gevallen zal het afhangen de vraag hoe de financiële geldstromen zijn geweest. Was de onderneming al opgericht voor het huwelijk en is het bedrijf buiten het huwelijk gehouden dan zal de onderneming waarschijnlijk wel kunnen onderbouwen dat de onderneming niet is opgebouwd uit te verrekenen vermogen. Als de onderneming is opgericht tijdens huwelijk en er zijn geldstromen geweest dan zal het lastig worden en op basis van artikel 1:141 lid 4 BW kan er eventueel ook de vraag opkomen welk bedrag is opgepot en welk gedeelte daarvan als verrekenbaar kan worden beschouwd.
Kortom, als partners in hun huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding hebben afgesproken, welke niet is uitgevoerd, dan kan dat behoorlijke financiële consequenties hebben voor een onderneming terwijl de ene partner dat juist bij het opmaken van huwelijkse voorwaarden wou voorkomen. Het niet-nakomen van deze jaarlijkse verplichting leidt regelmatig tot langdurige onderhandelingen of juridische procedures. Het is daarom van groot belang om bij een huwelijk met een onderneming niet alleen goed na te denken of er een periodiek verrekenbeding opgenomen moet worden, maar als u dat doet is het belangrijk dat het beding ook daadwerkelijk jaarlijks wordt uitgevoerd.
Vervaltermijnen en verjaring
Het is niet ongebruikelijk dat in de huwelijkse voorwaarden bij een periodiek verrekenbeding een vervalbeding wordt opgenomen. Een vervalbeding voorkomt dat aan het einde van het huwelijk een vordering tot verrekening ontstaat voor de periode waarin geen uitvoering is gegeven aan de periodieke verrekening. De Hoge Raad heeft bepaald dat een beroep op het vervalbeding in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De partij die een beroep doet op een vervaltermijn moet dus van goede huize komen om een geslaagd beroep te doen op een dergelijk vervalbeding.
Verjaring vordering tot periodieke verrekening na echtscheiding. In de rechtspraak is het uitgangspunt dat er geen sprake is van een verjaringstermijn tussen partners tijdens huwelijk. De wet bevat een speciale verjaringsregeling voor een periodiek verrekenbeding op grond van artikel 1:141 lid 6 BW. Dit lid bepaalt dat de vordering tot periodieke verrekening verjaart drie jaar na de beëindiging van het huwelijk dan wel na de inschrijving van de beschikking tot scheiding van tafel en bed in het huwelijksgoederenregister. Het is van belang om te weten dat sinds de uitspraak van de Hoge Raad op 2 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU6591) de termijn begint te lopen op het moment dat het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend.
Wanneer schakel je een advocaat in?
Het is verstandig om een advocaat personen- en familierecht in te schakelen in de volgende situaties:
- U staat op het punt om te scheiden en ontdekt dat er een periodiek verrekenbeding is, maar dat dit nooit is uitgevoerd.
- U heeft vragen over de uitleg of gevolgen van de huwelijkse voorwaarden staande huwelijk.
- U gaat scheiden en u heeft een onderneming en een periodiek verrekenbeding opgenomen in de huwelijkse voorwaarden maar deze nooit uitgevoerd.
- U wenst een vaststellingsovereenkomst te sluiten met uw partner om het niet verrekenen te herstellen over de afgelopen jaren.
- U wenst de huwelijkse voorwaarden te wijzigen naar de actuele ontwikkelingen binnen het familierecht.
- U heeft vragen over verjaringstermijnen en vervaltermijnen van het periodiek verrekenbeding.
Onze advocaten helpen u bij het interpreteren van de afspraken, het beoordelen van uw rechtspositie en het voeren van onderhandelingen of een gerechtelijke procedure. Neem vrijblijvend contact met ons op. Wij helpen u graag verder.
Veelgestelde vragen over het periodiek verrekenbeding
Wat is een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden?
Een periodiek verrekenbeding is een afspraak in de huwelijkse voorwaarden waarin staat dat echtgenoten jaarlijks de inkomsten die zij niet aan de kosten van de huishouding hebben besteed, met elkaar delen. Dit voorkomt dat het opgebouwde vermogen volledig bij één partner blijft, terwijl het gezamenlijk tot stand is gekomen. Er moet echter wel jaarlijks uitvoering worden gegeven aan het periodiek verrekenbeding.
Wat zijn inkomsten nu precies volgens de huwelijkse voorwaarden?
In de huwelijkse voorwaarden wordt (meestal) het begrip inkomen vaak specifiek omschreven. Partners kunnen ervoor kiezen om onder meer inkomen uit loondienst, inkomen uit een onderneming, werkelijk genoten inkomen, dividend uit de eigen BV of NV of zogeheten stakingswinsten onder het begrip inkomen te laten vallen. Het heeft de voorkeur om dit zo specifiek mogelijk aan te geven. Wanneer de huwelijkse voorwaarden niet aangeven wat er precies als inkomen moet worden gezien, schrijft de wet voor dat al het inkomen als inkomen zal gelden.
Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van een periodiek verrekenbeding?
Als een periodiek verrekenbeding nooit is uitgevoerd, wordt bij echtscheiding alsnog aangenomen dat de overgespaarde inkomsten wél verrekend moeten worden. De wet (artikel 1:141 BW) bepaalt dat dit gebeurt alsof het gezamenlijke vermogen was. Kortom, in beginsel wordt dan uitgegaan van een algehele gemeenschap van goederen dus een 50/50 verdeling.
Kan een niet‑uitgevoerd periodiek verrekenbeding nog hersteld of ingehaald worden?
Ja, dat kan. Partners kunnen alsnog samen vaststellen wat er in het verleden verrekend had moeten worden. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een zogenoemde vaststellingsovereenkomst. Het is raadzaam om dit onder begeleiding van een advocaat, notaris, en/of financieel adviseur te doen, zodat de afspraken juridisch kloppen en (fiscaal) uitvoerbaar zijn.
Hoe zit het met erfenissen of giften?
Bij het vaststellen van het te verrekenen vermogen op grond van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW en dus het bepalen van de omvang van de verrekenplicht is het wettelijke uitgangspunt dat erfrechtelijke verkrijgingen en giften niet worden verrekend (artikel 1:133 lid 2 BW). Als er geen uitsluitingsclausule als bedoeld in artikel 1:134 BW is bepaald dan worden die verkrijgingen alsnog niet verrekend, tenzij partners juist anders in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen.





